Om 13:00 begint op de Joodse begraafplaats de dodenherdenking. Om vijf voor een druppelen de mensen nog een voor een binnen, ze kijken wat bedrukt en lijken zich allemaal bewust van de lading die deze dag met zich meebrengt. 

Bij de entree achter het poortgebouw van de Joodse begraafplaats uit 1808 verwelkomt Ruben van Praagh, de penningmeester van de Joodse begraafplaats, de bezoekers. Ik spreek deze vriendelijke man aan, ik heb geen keppeltje bij me. Het is vanzelfsprekend om een hoofddeksel te dragen op de begraafplaats, maar gelukkig hebben ze een aantal keppeltjes klaarliggen voor mensen die er zelf geen bij zich hebben. 

Tot 1789 was het voor Joden verboden om in Utrecht te wonen. In 1792 kreeg de Joodse gemeenschap in Utrecht zijn eigen synagoge en in 1808 werd deze begraafplaats in gebruik genomen. In 1889 werd de begraafplaats uitgebreid en werd het poortgebouw ervoor gebouwd. De Joodse begraafplaats staat ook bekend als de Israëlitische begraafplaats. Dit heeft niks met Israël als land te maken, maar Israël als volk. Een Joodse gelovige behoort tot het Israëlitische volk en vandaag dat de Joodse gemeente de Nederlands-Israëlitische Gemeente Utrecht heet.

Met mijn 21 jaar ben ik veruit de jongste aanwezige. De meeste mensen zijn toch wel rond de zeventig. Sommigen begroeten elkaar en herkennen elkaar duidelijk van eerdere herdenkingen. Hebben de ander misschien wel een jaar niet gezien, maar delen toch een geschiedenis die vandaag wordt herdacht. Sommige mannen dragen geen hoofddeksel, ook dit wordt gerespecteerd. Dit is niet waar men mee bezig is.

Nadat rond 13:00 iedereen binnenkomt, zo’n vijftien mensen, begint de herdenking. De penningmeester doet het woord en vertelt wat er gaat gebeuren. Twee mannen in pak van het Utrecht Comité 4 mei-herdenking staan naast hem terwijl hij vertelt dat er eerst een krans gelegd wordt ten nagedachtenis aan de Tweede Wereldoorlog. Nadien is er twee minuten stilte en vervolgens zal hij het woord nemen en een toespraak houden.

De krans wordt gelegd bij het monument voor de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. De tekst die erop staat: ‘Ter herinnering aan de meer dan 1000 joodse mannen vrouwen en kinderen uit Utrecht en omgeving die gedurende de jaren van de Tweede Wereldoorlog door de vijand om hun jood-zijn werden omgebracht.’

Foto Jelle Reijman: Herdenkingsmonument Tweede Wereldoorlog met krans.

De twee minuten stilte zijn ook echt stil. Naast de begraafplaats ligt een bouwput, maar het lijkt alsof ze daar rekening gehouden hebben met de herdenking, er is even geen geluid van machines en hard werken. Ik kijk om mij heen en zie een oude vrouw met ogen gesloten staan, diep in gedachten. Achter haar staat een man die het duidelijk even te zwaar heeft, hij staat trillend op zijn benen met zijn ogen krampachtig gesloten. Iedereen is hier samen in zijn eigen gedachten.

Na de herdenking neemt de penningmeester het woord weer. Hij vertelt over de begraafplaats, waar de meeste graven zijn van mensen die in tijden van vrede zijn gestorven, maar ook een aantal is gestorven in de Tweede Wereldoorlog. “De vraag of we de oorlog moeten herdenken stellen we onszelf elk jaar weer, maar zolang er nog overlevenden zijn blijft dit vanzelfsprekend.” Vervolgens vertelt hij dat het ook voor de mensen die de oorlog niet hebben meegemaakt belangrijk is deze te herdenken, er mag nooit vergeten worden wat er is gebeurd. We moeten blijven leren van deze tijd. Mensen knikken. 

Hij eindigt zijn toespraak met de woorden dat iemand pas echt overleden is, als diegene niet meer in de gedachten en harten van de levenden aanwezig is; ook daarom herdenken wij de gestorvenen, we mogen hen niet vergeten. Na de toespraak lopen mensen wat rond langs de graven, zitten stil op een bankje en er hangt een hele rustige, doch beladen sfeer. Ik word aangesproken door een vrouw die vraagt of ik hier familie heb liggen. Ze vindt het mooi als ze hoort dat ik hier uit mijzelf kom, uit eigen interesse. Dan gaan wij ieder weer onze eigen weg. 

Mensen beginnen wat meer met elkaar te praten en er ontstaat een sfeer waarin veel wordt bijgepraat. Men kent elkaar, maar spreekt elkaar duidelijk weinig. Er wordt over de kleinkinderen gesproken en de herdenking loopt duidelijk op zijn einde. Men vertrekt een voor een en bedankt de penningmeester voor de mooie woorden.

Lees hier een interview met de penningmeester.